weet je je leek nog zo koel vanbinnen je hart klopte traag en uit maat je liefde was doods je kon nooit iets verzinnen je ogen kwamen altijd te laat
ik hield van wat je waart in diepe dromen je vond een onderkomen waar niemand ging wonen
je luistert in de wind naar verre verhalen die je toch nimmer onthoudt je leeft in een waas van lege spiegelzalen elke stem klinkt er toonloos en koud
ik hield van wat je waart in diepe dromen je vond een onderkomen waar niemand ging wonen
je schuwde de mensen in je irreëele wereld waar slechts jij en geen ander bestond je trok je ineen als een afgeschoten merel de kooi lag naast jou op de grond
ik hield van wat je waart in diepe dromen je vond een onderkomen waar niemand ging wonen